Avebe

Avebe is een op de markt gerichte coöperatie van zetmeelaardappeltelers. Van oudsher richtten we ons uitsluitend op het winnen van het zetmeel uit de aardappel. Maar door ontwikkeling van innovatieve technieken halen we nu ook eiwitten uit de aardappel, bedoeld voor de voedingsmiddelenindustrie. En daarmee zijn we er nog niet. De aardappel is voor ons een bron van mogelijkheden met nog meer ingrediënten die tot waarde gebracht kunnen worden. Kortom, we halen eruit wat erin zit!

JONG EN OUD
TELERS

Drie generaties Bouwers, samen op de akker met zetmeelaardappelen in Zuidwolde. Ze kijken uit over de aardappelruggen, bekijken het blad van dichtbij en discussiëren over wat ze zien. Later, aan de keukentafel bij Egbert Bouwers, bespreken ze de teelt en het bedrijf door de jaren heen. Samen praten over vroeger is geen dagelijkse kost, maar voor Avebe maken ze een uitzondering. En met verbazing luisteren Luuk en Iris naar de verhalen van de eerste generatie.

Van KSH naar Avebe
Egbert Bouwers was de eerste generatie Bouwers die zetmeelaardappelen teelde en verkocht. Hij koos niet voor niets voor zetmeelaardappelen: “De aardappelteelt op zandgrond is kwetsbaarder in vergelijking met klei. En pootaardappelen telen kost veel werk. Ook zitten er grotere teeltrisico's aan. Met zetmeelaardappelen had ik een stabielere uitbetaling en afname”, vertelt Egbert. “In die tijd leverde ik mijn 14 hectare zetmeelaardappelen aan Koninklijke Scholten-Honig (KSH). Maar in de jaren zeventig stopte KSH. Avebe nam de zetmeeltak van KSH over en ik kreeg een goed aanbod. Voor 30.000 gulden kocht ik mij in bij Avebe. We gingen van een particuliere zetmeelfabriek naar een grote coöperatie.”

“Van particulier naar coöperatie, dat moet toch een groot verschil zijn geweest?”, vraagt Luuk aan zijn vader. Maar veel is er volgens Egbert niet veranderd: “We leverden opnieuw onze aardappelen. Met het stoppen van KSH stonden we met lege handen. Dat is ons tot nu toe bij Avebe niet gebeurd.” Als lid van de coöperatie was Egbert mede-eigenaar van de onderneming. Iris is benieuwd of hij zich als lid verantwoordelijk voelde. “Zolang de aardappelen betaald werden en de prijs goed was, bemoeide ik mij niet met het reilen en zeilen van de coöperatie”, antwoordt hij.

Zekerheid
Egbert: “Avebe is erg belangrijk voor mij geweest. Het was de meest rendabele teelt die ik had en Avebe gaf mij afnamezekerheid.” En nog, geeft Luuk aan: “Een groot deel van onze omzet komt binnen via Avebe”. Iris vult aan: “En zetmeelaardappelen zijn een groot deel van ons areaal, zo’n 60%. Het is ons belangrijkste gewas, maar niet het meest renderende”. De Bouwers blijven bewust zetmeelaardappelen telen als basis van het bedrijf. Luuk: “Op zandgrond ben je minder flexibel in het kiezen van een gewas, daarnaast hebben we een hoge onkruiddruk. Avebe biedt ons de nodige zekerheid, waarmee een deel van het bedrijfsrisico wordt afgedekt. Het is fijn om te weten dat je een betrouwbare afnemer hebt die stabiel uitbetaalt. Ook in tijden dat de kwaliteit en het resultaat wat tegenvallen.”

V.L.N.R. LUUK, IRIS EN EGBERT BOUWERS

Luuk en zijn vrouw Truus Bouwers hebben het akkerbouw- en vleesvarkensbedrijf in Zuidwolde in 1998 overgenomen van Egbert en zijn vrouw Lammie. In 2016 is Iris met haar ouders in maatschap gegaan. Alle generaties zijn betrokken bij het bedrijf. Het akkerbouwbedrijf is 120 hectare groot en het bouwplan omvat 72 hectare zetmeelaardappelen, 5 hectare uien, 5 hectare valeriaan, 8 hectare suikerbieten, 8 hectare glutenvrije haver en dit wordt aangevuld met brouwgerst. Daarnaast houdt de familie Bouwers vleesvarkens in een 'Beter Leven stal' met 1 ster. Egbert helpt af en toe nog op het bedrijf, Luuk is iedere dag actief en Iris is naast haar werkzaamheden op de boerderij werkzaam als lobbyist voor de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) in Brussel.

HET BEDRIJF
OVER

“In mijn beginjaren waren er nog wel eens problemen bij Avebe, tot aan de ontkoppeling van de Europese premies. Dat was het keerpunt”, weet Luuk nog. Iris legt uit: “De zetmeelteelt is van oudsher vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) flink ondersteund. Dat geld ging voor een deel naar Avebe en voor een deel naar de telers. Na de ontkoppeling van premies veranderde dit. De Europese zetmeelsteun werd toen rechtstreeks aan telers uitgekeerd. Inmiddels is deze component vrijwel weggevallen en krijgt ook de zetmeelteler een reguliere hectarepremie. Avebe ging marktgerichter denken omdat ze wisten dat de leveranciers, met de rechtstreeks ontvangen premie, ook alternatieve teelten konden kiezen. De afnemers van de producten van Avebe bleken bereid een hogere prijs te betalen; ze zagen in dat Avebe haar telers dusdanig moest belonen, zodat de grondstofvoorziening veiliggesteld werd.

“De afgelopen jaren hebben we flink kunnen profiteren van het GLB-beleid.” Luuk maakt zich wel zorgen over de toekomst van het GLB: “Hoe groot blijft het maatschappelijk draagvlak? De uitbetaling uit het GLB verandert waarschijnlijk na 2020. Het anticiperen daarop wordt nog een hele uitdaging.” Vooral wanneer de zetmeelaardappelteelt schoner moet, vraagt Iris zich af hoe dit uitbetaald gaat worden. “Wij produceren graag duurzamer en schoner, maar ons product is een bulkproduct dat de consument niet direct terugziet. Een schonere of andere productiewijze is dus niet per definitie een toegevoegde waarde. Als de eisen veranderen, zullen onze kosten ook hoger worden. Het risico ligt bij de teler en die inspanning moet ook beloond worden”, vindt Iris.

De ontkoppeling

“Die uitdagingen hadden wij vroeger niet”, geeft Egbert aan. “De wereld en maatschappij veranderen. Als mensen het beter krijgen, gaan ze zich met dit soort dingen bezighouden.” Een andere uitdaging die Luuk voorziet, is de toegang tot land en bijbehorende grondprijzen. “Toen mijn vader begon, teelden we een aantal jaren aardappelen en dan was de grond terugverdiend. De fysieke opbrengsten stijgen amper, teelt- en grondkosten zijn wel flink gestegen. Ondanks de lage rente is grond voor de zetmeelaardappelteelt bijna niet te financieren.” Dat is bij bedrijfsovername ook een groot probleem, weet Iris. “Waar veel jonge boeren kiezen voor een efficiëntere productiemethode en bijpassend verdienmodel is dit voor de zetmeelaardappelen lastig. Intensiever telen is geen optie, we telen al ontzettend intensief. Wij halen enkel ons voordeel uit een groeizaam jaar met optimale weersomstandigheden en minimale ziektedruk. Het is en blijft een open teelt, waardoor je afhankelijk bent van de weersomstandigheden.”

Uitdagingen

“Door de jaren heen is de teelt van zetmeelaardappelen sterk gemechaniseerd. In de opbrengst is niet veel progressie”, vindt Luuk. “Wel is er hard gewerkt aan het inbouwen van resistentie in zetmeelrassen en verhoging van het zetmeelgehalte. Dit is belangrijk geweest om de industrie te verzekeren van de aanvoer van grondstoffen.” De doorloop van rassen is nu sneller, valt Egbert op. “Vroeger hadden we over een lange periode één ras, nu is er elke tien jaar een geheel nieuw rassenpakket. Ons eerste ras was de ‘Volare’. Later hadden we voor lange tijd de ‘Mentor’. Die was wel gevoelig voor de aardappelziekte phytophthora.” Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is door de jaren heen natuurlijk ook veranderd. Niet alleen de frequentie maar ook de werkwijze. “Het bestrijden van phytophthora vond ik één van de grootste uitdagingen”, geeft de eerste generatie Bouwers aan. “Er was veel onduidelijk dus ik deed het maar op mijn manier. Ik was soms eigenwijs en wachtte uit zuinigheid nog wel eens een dag met spuiten. In het begin ging de loonwerker zelfs te paard het areaal over. Pas later hebben we zelf geïnvesteerd in een spuitmachine.” Het werk was voorheen ook fysiek zwaarder, weet Egbert: “Vroeger rooiden we de aardappelen met de hand. We vervoerden ze per platte wagen naar de boerderij en bij afleveren schepten we zelf zo’n zeven ton aardappelen op de vrachtauto.” Ook in de teeltregistratie zijn grote veranderingen gekomen. “Registreren? Dat hoefde echt niet. De voorloper van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) kwam steekproeven doen. De rest zat allemaal in mijn hoofd”, aldus Egbert. Luuk heeft volgens Iris ook nog allemaal kennis paraat. “Ik doe het vooral voor de controlerende instanties en om onze resultaten te vergelijken met die van andere telers.” “Toch denk ik dat we er in de toekomst nog meer mee kunnen”, vindt Iris. “We zullen het zien”, sluit Egbert af. “Niets is moeilijker dan het voorspellen van de toekomst.”

Veranderingen door de jaren heen

Drie generaties Bouwers, samen op de akker met zetmeelaardappelen in Zuidwolde. Ze kijken uit over de aardappelruggen, bekijken het blad van dichtbij en discussiëren over wat ze zien. Later, aan de keukentafel bij Egbert Bouwers, bespreken ze de teelt en het bedrijf door de jaren heen. Samen praten over vroeger is geen dagelijkse kost, maar voor Avebe maken ze een uitzondering. En met verbazing luisteren Luuk en Iris naar de verhalen van de eerste generatie.

V.L.N.R. LUUK, IRIS EN EGBERT BOUWERS

Van KSH naar Avebe
Egbert Bouwers was de eerste generatie Bouwers die zetmeelaardappelen teelde en verkocht. Hij koos niet voor niets voor zetmeelaardappelen: “De aardappelteelt op zandgrond is kwetsbaarder in vergelijking met klei. En pootaardappelen telen kost veel werk. Ook zitten er grotere teeltrisico's aan. Met zetmeelaardappelen had ik een stabielere uitbetaling en afname”, vertelt Egbert. “In die tijd leverde ik mijn 14 hectare zetmeelaardappelen aan Koninklijke Scholten-Honig (KSH). Maar in de jaren zeventig stopte KSH. Avebe nam de zetmeeltak van KSH over en ik kreeg een goed aanbod. Voor 30.000 gulden kocht ik mij in bij Avebe. We gingen van een particuliere zetmeelfabriek naar een grote coöperatie.”

“Van particulier naar coöperatie, dat moet toch een groot verschil zijn geweest?”, vraagt Luuk aan zijn vader. Maar veel is er volgens Egbert niet veranderd: “We leverden opnieuw onze aardappelen. Met het stoppen van KSH stonden we met lege handen. Dat is ons tot nu toe bij Avebe niet gebeurd.” Als lid van de coöperatie was Egbert mede-eigenaar van de onderneming. Iris is benieuwd of hij zich als lid verantwoordelijk voelde. “Zolang de aardappelen betaald werden en de prijs goed was, bemoeide ik mij niet met het reilen en zeilen van de coöperatie”, antwoordt hij.

Zekerheid
Egbert: “Avebe is erg belangrijk voor mij geweest. Het was de meest rendabele teelt die ik had en Avebe gaf mij afnamezekerheid.” En nog, geeft Luuk aan: “Een groot deel van onze omzet komt binnen via Avebe”. Iris vult aan: “En zetmeelaardappelen zijn een groot deel van ons areaal, zo’n 60%. Het is ons belangrijkste gewas, maar niet het meest renderende”. De Bouwers blijven bewust zetmeelaardappelen telen als basis van het bedrijf. Luuk: “Op zandgrond ben je minder flexibel in het kiezen van een gewas, daarnaast hebben we een hoge onkruiddruk. Avebe biedt ons de nodige zekerheid, waarmee een deel van het bedrijfsrisico wordt afgedekt. Het is fijn om te weten dat je een betrouwbare afnemer hebt die stabiel uitbetaalt. Ook in tijden dat de kwaliteit en het resultaat wat tegenvallen.”

Luuk en zijn vrouw Truus Bouwers hebben het akkerbouw- en vleesvarkensbedrijf in Zuidwolde in 1998 overgenomen van Egbert en zijn vrouw Lammie. In 2016 is Iris met haar ouders in maatschap gegaan. Alle generaties zijn betrokken bij het bedrijf. Het akkerbouwbedrijf is 120 hectare groot en het bouwplan omvat 72 hectare zetmeelaardappelen, 5 hectare uien, 5 hectare valeriaan, 8 hectare suikerbieten, 8 hectare glutenvrije haver en dit wordt aangevuld met brouwgerst. Daarnaast houdt de familie Bouwers vleesvarkens in een 'Beter Leven stal' met 1 ster. Egbert helpt af en toe nog op het bedrijf, Luuk is iedere dag actief en Iris is naast haar werkzaamheden op de boerderij werkzaam als lobbyist voor de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) in Brussel.

HET BEDRIJF
OVER

“In mijn beginjaren waren er nog wel eens problemen bij Avebe, tot aan de ontkoppeling van de Europese premies. Dat was het keerpunt”, weet Luuk nog. Iris legt uit: “De zetmeelteelt is van oudsher vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) flink ondersteund. Dat geld ging voor een deel naar Avebe en voor een deel naar de telers. Na de ontkoppeling van premies veranderde dit. De Europese zetmeelsteun werd toen rechtstreeks aan telers uitgekeerd. Inmiddels is deze component vrijwel weggevallen en krijgt ook de zetmeelteler een reguliere hectarepremie. Avebe ging marktgerichter denken omdat ze wisten dat de leveranciers, met de rechtstreeks ontvangen premie, ook alternatieve teelten konden kiezen. De afnemers van de producten van Avebe bleken bereid een hogere prijs te betalen; ze zagen in dat Avebe haar telers dusdanig moest belonen, zodat de grondstofvoorziening veiliggesteld werd.

“De afgelopen jaren hebben we flink kunnen profiteren van het GLB-beleid.” Luuk maakt zich wel zorgen over de toekomst van het GLB: “Hoe groot blijft het maatschappelijk draagvlak? De uitbetaling uit het GLB verandert waarschijnlijk na 2020. Het anticiperen daarop wordt nog een hele uitdaging.” Vooral wanneer de zetmeelaardappelteelt schoner moet, vraagt Iris zich af hoe dit uitbetaald gaat worden. “Wij produceren graag duurzamer en schoner, maar ons product is een bulkproduct dat de consument niet direct terugziet. Een schonere of andere productiewijze is dus niet per definitie een toegevoegde waarde. Als de eisen veranderen, zullen onze kosten ook hoger worden. Het risico ligt bij de teler en die inspanning moet ook beloond worden”, vindt Iris.

De ontkoppeling

“Die uitdagingen hadden wij vroeger niet”, geeft Egbert aan. “De wereld en maatschappij veranderen. Als mensen het beter krijgen, gaan ze zich met dit soort dingen bezighouden.” Een andere uitdaging die Luuk voorziet, is de toegang tot land en bijbehorende grondprijzen. “Toen mijn vader begon, teelden we een aantal jaren aardappelen en dan was de grond terugverdiend. De fysieke opbrengsten stijgen amper, teelt- en grondkosten zijn wel flink gestegen. Ondanks de lage rente is grond voor de zetmeelaardappelteelt bijna niet te financieren.” Dat is bij bedrijfsovername ook een groot probleem, weet Iris. “Waar veel jonge boeren kiezen voor een efficiëntere productiemethode en bijpassend verdienmodel is dit voor de zetmeelaardappelen lastig. Intensiever telen is geen optie, we telen al ontzettend intensief. Wij halen enkel ons voordeel uit een groeizaam jaar met optimale weersomstandigheden en minimale ziektedruk. Het is en blijft een open teelt, waardoor je afhankelijk bent van de weersomstandigheden.”

Uitdagingen

“Door de jaren heen is de teelt van zetmeelaardappelen sterk gemechaniseerd. In de opbrengst is niet veel progressie”, vindt Luuk. “Wel is er hard gewerkt aan het inbouwen van resistentie in zetmeelrassen en verhoging van het zetmeelgehalte. Dit is belangrijk geweest om de industrie te verzekeren van de aanvoer van grondstoffen.” De doorloop van rassen is nu sneller, valt Egbert op. “Vroeger hadden we over een lange periode één ras, nu is er elke tien jaar een geheel nieuw rassenpakket. Ons eerste ras was de ‘Volare’. Later hadden we voor lange tijd de ‘Mentor’. Die was wel gevoelig voor de aardappelziekte phytophthora.” Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is door de jaren heen natuurlijk ook veranderd. Niet alleen de frequentie maar ook de werkwijze. “Het bestrijden van phytophthora vond ik één van de grootste uitdagingen”, geeft de eerste generatie Bouwers aan. “Er was veel onduidelijk dus ik deed het maar op mijn manier. Ik was soms eigenwijs en wachtte uit zuinigheid nog wel eens een dag met spuiten. In het begin ging de loonwerker zelfs te paard het areaal over. Pas later hebben we zelf geïnvesteerd in een spuitmachine.” Het werk was voorheen ook fysiek zwaarder, weet Egbert: “Vroeger rooiden we de aardappelen met de hand. We vervoerden ze per platte wagen naar de boerderij en bij afleveren schepten we zelf zo’n zeven ton aardappelen op de vrachtauto.” Ook in de teeltregistratie zijn grote veranderingen gekomen. “Registreren? Dat hoefde echt niet. De voorloper van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) kwam steekproeven doen. De rest zat allemaal in mijn hoofd”, aldus Egbert. Luuk heeft volgens Iris ook nog allemaal kennis paraat. “Ik doe het vooral voor de controlerende instanties en om onze resultaten te vergelijken met die van andere telers.” “Toch denk ik dat we er in de toekomst nog meer mee kunnen”, vindt Iris. “We zullen het zien”, sluit Egbert af. “Niets is moeilijker dan het voorspellen van de toekomst.”

Veranderingen door de jaren heen

JONG EN OUD
TELERS